Ik ben gisteren gered door een engel op een fiets. Of eigenlijk door een heel team engelen. Het was een koele, vochtige avond en ik besloot tegen al mijn natuurlijke gewoontes in een rondje te gaan joggen in het Flevopark. Op de fiets gesprongen, geparkeerd in het park, mijn veters gestrikt en een rondje gerend. Het was rustig. Al lopend zag ik twee kletsende joggers, een man met een grijze capuchontrui op een bankje, en een blonde vrouw in een leren jack die zo langzaam fietste, dat zelfs ik haar kon bijhouden. Dat laatste was vrij bizar.
Na één rondje vond ik het welletjes, rekte en strekte wat, en zag vanuit mijn ooghoek een jongen verschijnen. Hij ging schuin tegenover me zitten, op een picknicktafel aan de andere kant van het pad. Hij sprak me aan toen ik aanstalten maakte om te vertrekken: “Mevrouw, weet u waar het Flevobad is?”
De verwarring sloeg toe.
De cynicus in mij zei: “Wat moet die gast? Zit hij hier eerst tien minuten zwijgzaam te zijn, en nu je weggaat moet hij ineens naar het Flevobad. Een jonge Marokkaan in het park die een blanke vrouw aanspreekt met een nietszeggende vraag, dat klopt niet. Foute boel.”
De idealist wierp tegen: “Wantrouwen is het gif van deze wereld. Schaam je voor al die vooroordelen! Wat is dit een verschrikkelijke wereld als een jonge Marokkaan in het park geen vraag meer kan stellen aan een blanke vrouw in het park. En bovendien, gedraag je. Je geeft gewoon antwoord.”
De schaamte en de manieren wonnen: “Die kant op.” wees ik.
Twee minuten later, toen ik een bebost stukje infietste op weg naar de uitgang van het park, voelde ik een hand op mijn linkerbil. Godverdomme! Die klootzak was achter me aangefietst! Ik keek over mijn linkerschouder, recht in zijn gezicht, en hij keek terug, zonder iets te zeggen, zonder uitdrukking in zijn grote bruine ogen. Hij kneep weer, zijn hele hand drukte zich in mijn bil. Ik vloekte, begon harder te fietsen. De adrenaline gierde door mijn aderen. Dit kan helemaal fout gaan! Waar is de uitgang van het park?! God help me!
Toen kwamen de engelen. De vrouw in het leren jack fietste me tegemoet. “Hij randt me aan!” riep ik. Zij fietste langs mij, gooide haar fiets voor de fiets van mijn belager, stortte zich op hem en werkte hem tegen de grond. “Politie!” brulde een mannenstem. Twee mannen, een met een grijze capuchontrui, doken op uit de nevel en sprongen van hun fiets. De billenknijper lag kermend in de houdgreep met een knie in zijn rug “Alsjeblieft” riep hij, “Niet doen!”. De vrouw boeide hem met één soepele beweging. Klik.
Ze kwam naar me toe. “Ik zal me even legitimeren”, zei ze. “Zedenpolitie. We hadden al een aantal meldingen gekregen de afgelopen tijd.”
Op het moment dat ik nietsvermoedend mijn rondje aan het joggen was, en de billenknijper nietsvermoedend op zoek was naar nieuwe billen fietsten er welgeteld zeven agenten van de zedenpolitie door het Flevopark. Een kwartier later hadden ze een heterdaad.
De 16-jarige billenknijper zit voorlopig in de cel. Zich te schamen hoopt de idealist. De cynicus lacht schamper.
